2016
1 OKTOBER
Opdat gij zou kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt.
Lukas 1:4
Hoe het precies gegaan is, weten we niet, maar op een dag moet er bij Lukas de overtuiging zijn ontstaan om het leven en het lijden, het sterven en de opstanding van Jezus Christus op te schrijven. Heeft hij al langer het verlangen om dit te doen, of verzet hij zich juist eerst tegen dat steeds sterkere gevoel dat God het wil?
We weten het niet. Wel weten we dat Lukas niet over één nacht ijs gaat bij het schrijven van zijn Evangelie. Hij onderzoekt alles nauwkeurig en raadpleegt andere schrijvers. En uiteindelijk begint hij…
Het gaat over ‘dingen die onder ons’, zo schrijft hij in het eerste vers, ‘volkomen zekerheid hebben’. Zijn doel staat in vers 4: dat ook Theofilus in deze zekerheid zou delen.
Lukas weet dat we in de dingen van God en van onze eeuwige bestemming niet tevreden mogen zijn met twijfel en onzekerheid.
Maar hoe krijg je zekerheid? Als je niet zelf bij een gebeurtenis aanwezig was, moet je afgaan op betrouwbare getuigen, mensen die er wel bij zijn geweest, zegt vers 2. Zo is het bij Lukas zelf ook gegaan. De verkondiging van de apostel Paulus, die persoonlijk door Jezus was geroepen, was het middel dat Lukas leerde geloven in Jezus Christus als zijn Zaligmaker.
En deze zekerheid gunt hij nu ook de aanzienlijke man voor wie hij zijn Evangelie schrijft: Theofilus.
Kenmerkend voor de evangelist Lukas is dat hij keer op keer aan de orde stelt dat Jezus vriendelijk omgaat met slechte mensen en dat Hij ze intens gelukkig maakt.
Denk aan de zondige vrouw in het huis van Simon de farizeeër (hoofdstuk 7); denk aan de gelijkenis van de verloren zoon (hoofdstuk 15), aan de tollenaar in de tempel (hoofdstuk 18) en aan Zacheüs (hoofdstuk 19).
Lezen: Lukas 1:1-4; zingen: Psalm 119:65
2 OKTOBER
Hij zal velen van de kinderen Israëls bekeren tot de Heere, hun God.
Lukas 1:16
Eeuwenlang is de belofte herhaald die al in de Hof van Eden had geklonken, dat het Vrouwenzaad de kop der slang zal vermorzelen. Eeuwenlang ook hebben de vromen ernaar uitgezien. En nu gaat het grote wonder gebeuren. God baant de weg door de komst van de voorloper van Jezus Christus. Lukas schrijft over het doel van de prediking die Johannes zal brengen: Israëlieten bekeren tot de Heere.
Dit is nog steeds een belangrijk doel van de verkondiging. We moeten terug naar onze God. Van Hem zijn wij vervreemd, van geslacht tot geslacht. We hebben er zelfs geen idee van Wie Hij is. Dagen zonder getal kunnen we aan Hem voorbij gaan.
Daarom neemt God Zelf het initiatief. Hij stuurt een boodschapper die de weg van de Messias in orde zal maken. Door zijn prediking zal hij het volk van God voorbereiden op de ontmoeting met de Verlosser. Hoe doet Johannes dit? Door de luisteraars wakker te schudden uit hun geestelijke slaap. Veel mensen denken dat het allemaal wel goed is tussen God en hun zielen. Maar dit is een vreselijke vergissing. Ze moeten berouw krijgen over hun zonden. Die zonden moet Johannes hun dus aanwijzen. Ook mag hij hun de vergeving van de zonden in het vooruitzicht stellen door te wijzen op het Lam Gods, Dat de zonden der wereld wegneemt.
Ook wij moeten bekeerd worden tot de Heere, onze God. Dat doet God door middel van Zijn dienaren. Net zoals Hij toen de prediking van Johannes de Doper gebruikte, gebruikt Hij ook in onze dagen de prediking van Zijn dienaren. Wees daarom trouw in het ernstig gebruik maken van deze genademiddelen. En wees veel aan de troon van Zijn genade om deze bekering te ontvangen.
Lezen: Lukas 1:5-17; zingen: Psalm 51:7
3 OKTOBER
Zacharias zei tegen de engel: “Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud.”
Lukas 1:18
Lukas schrijft over de twijfel van de oude priester Zacharias. Hij kan niet geloven dat God het wonder zal doen om hem een zoon te geven. Begrijpelijk, vindt u niet? Dat wat je niet kunt begrijpen, is immers niet eenvoudigweg te geloven. Wie echter rekent met God als almachtige Schepper, hoeft zich over geen enkel wonder te verbazen. Al wat de Heere belooft, kan Hij doen. Daarom is Hij al ons vertrouwen waard. We moeten niet redeneren en God niet afmeten aan onze onmogelijkheden of onze beperkingen.
Laten we ons ernstig voornemen om alles te geloven wat Hij heeft beloofd, al is het volgens ons nog zo onmogelijk. Ik denk hierbij aan twee soorten wonderen.
Ten eerste wonderen van Gods macht, zoals de opstanding der doden. Als je er over denkt hoe het kan, dan blijft er honderd procent onmogelijkheid over: doden die al jaren geleden zijn begraven of verbrand, kunnen niet meer levend worden. Lichamen die tot stof zijn vergaan of door verscheurende dieren zijn opgegeten, kunnen nooit meer hersteld worden. Of wel? Nee, met mogelijkheden die ons ter beschikking staan, is het onmogelijk. Maar de Maker van het heelal is machtig!
Ten tweede denk ik aan wonderen van Gods genade en liefde, zoals vergeving van onze zonden en eeuwig zalig worden. Als u enigszins beseft hoe groot uw zonden zijn en hoe diep uw verlorenheid is, dan behoren vergeving van uw zonden en gered worden van het verderf zeker niet tot de mogelijkheden. En weer: met mogelijkheden die ons ter beschikking staan, is het onmogelijk. Maar God, onze God, is machtig om de grootste zondeschuld te vergeven en de diepst verloren zondaar te behouden.
Lezen: Lukas 1:18-25; zingen: Psalm 105:3
4 OKTOBER
Lukas 1:33
Weet u van de liefdesheerschappij van de Koning van Jakobs huis? Hoewel de belofte niet over Nederlanders of Engelsen gaat, alleen over Jakobskinderen, toch mag ook u Zijn onderdaan worden. Hij wil zeker ook uw Koning zijn en over uw verlangens en gedachten heerschappij voeren. Buig daarom maar aan Zijn voeten, Zijn doorboorde voeten. O, buig toch vandaag nog onder Zijn zachte en lieflijke juk. Onderwerp u met uw hele hart aan Zijn wijze wetten. Laat u gewillig leiden door Zijn goede Geest en heilig Woord. Verzet u niet langer en pleeg geen opstand. Zijn banden verscheuren, zoals in Psalm 2 beschreven wordt, is dwaasheid. Zijn touwen van u werpen, zoals de Joden deden op Goede Vrijdag is kiezen voor de eeuwige ondergang.
Luisteren naar Zijn stem en Hem aanvaarden als uw Koning, dát is pas wijs – zegt Psalm 2. De boodschapper uit de hemel vertelt via Maria en via Lukas ons ook dat de heerschappij van deze Koning eeuwig zal duren. Dus de duivel zal Hem nooit overwinnen, maar zeer zeker het onderspit delven. Ook zal er geen einde zijn aan Zijn Koninkrijk. Een heerlijke en troostvolle gedachte: heel de aarde wordt Zijn gebied en alle schuilhoeken van uw hart neemt Hij in beslag.
Wat houdt het in, Hem als Koning te aanvaarden? Gehoorzamen aan Zijn wet en beschermd worden door Zijn macht. Laten we onszelf eerlijk erop onderzoeken: wil ik koning-af zijn? Geef ik Hem de teugels in handen? Vertrouw ik mij toe aan Zijn bewaring, lichamelijk en geestelijk, voor tijd en eeuwigheid? Erken ik Maria’s Zoon als mijn Koning, wijs en zacht?
Lezen: Lukas 1:26-38; zingen: Psalm 2:7
5 OKTOBER
Elizabet werd vervuld met de Heilige Geest.
Lukas 1:41
Hoe onuitsprekelijk rijk wordt de oude Elizabet bevoorrecht! Drie dingen gebeuren er:
- de moeder van haar Heere komt bij haar op bezoek;
- haar ongeboren kindje springt vol vreugde op in haar buik;
- zij wordt vervuld met de Heilige Geest.
De eerste twee weldaden maken wij niet mee, maar de derde is ook nu nog te ervaren. Met de Heilige Geest vervuld worden is immers het voorrecht van allen die niet alleen christen heten, maar ook zijn.
Wie net als Elizabet vol wordt van Gods Geest, stemt in met de woorden die zij Maria toeroept: “Zalig is zij, die geloofd heeft, want de dingen die haar door de Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.”
Dit is een kenmerk van een Geest-vervuld leven, namelijk: u bent er van overtuigd dat God Zijn Woord vervult – al is het nóg zo onmogelijk. Hoe weet u dit zo zeker? Niet omdat u het begrijpt, maar omdat u God hebt leren kennen als de Almachtige en de Getrouwe. O, wat is het een heerlijk leven vol troost om te weten en te getuigen: God is trouw aan Zijn belofte. Hij doet wat Hij zegt.
Het mag wel van dag tot dag onze bede zijn dat de Heere Zijn Geest in ons doet wonen om ons te vervullen met die troost en vreugde. Want nameloos leeg en doelloos is het leven zonder Gods inwoning. Deze Geest doet hopen op de heerlijke toekomst van deze Koning, Die als de Gekruisigde en Opgestane zit op de genadetroon, om barmhartigheid te bewijzen.
De Geest, Die Elizabet vervult, geeft vreugde. Zou u niet van dag tot dag verwachtingsvol om die volheid bidden? Jezus zegt: “Als u, die zondig bent, uw kinderen goede gaven weet te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heilige Geest geven aan hen die er Hem om bidden?”
Lezen: Lukas 1:39-45; zingen: Psalm 105:2
6 OKTOBER
Mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker.
Lukas 1:47
Maria jubelt het uit dat zij zich verheugt in God. Waarom? Omdat Hij haar Zaligmaker is. Herkent u zich in deze jubel? Hebt u zo naar de Zaligmaker verlangd; en verheugt u zich in Hem met een niet uit te spreken vreugde? Als Zaligmaker verlost Hij van het grootste kwaad en brengt Hij tot het hoogste goed. Het grootste kwaad is onze Gods-vervreemding; en het hoogste en meest begeerlijke goed is de innige Gods-genieting in Gods-nabijheid.
Het Kind dat Maria verwacht, mag de Naam Jezus dragen, omdat Hij ons zalig maakt, zegt de Heidelbergse Catechismus. Dit doet Hij door als Profeet en Leraar ons te onderwijzen. Dit doet Hij door als Priester Offerlam te zijn en Voorbidder. Dit doet Hij door als Koning Zijn wet in ons hart te schrijven en satan, onze doodsvijand, te verslaan.
Als u door het geloof aan Zijn zaligmakerswerk kennis kreeg, zult u het vast wel met Maria eens zijn en van harte met haar instemmen: “Mijn geest verheugt zich in mijn Zaligmaker.”
Als u door onachtzaamheid en onwilligheid nog steeds geen kennis hebt van deze onmisbare genadegave, gun uzelf dan geen rust, maar zoek Hem in de weg van Zijn Woord. Zonder Hem bent u rampzalig, ongelukkig in de ergste betekenis van het woord. Waarom zou u nog één dag verder leven zonder roepen naar Omhoog? Deze Zaligmaker zegt in Lukas 11 vers 9 en 10: “Ik zeg u: bid, en aan u zal gegeven worden; zoek, en u zult vinden; klop, en voor u zal er opengedaan worden. Want een ieder die bidt, ontvangt; en wie zoekt, vindt; en wie klopt, voor die zal er opengedaan worden.”
Gelooft u dit niet? Koestert u argwaan voor de Heere? Nee, toch? O, begeer Hem onvoorwaardelijk te geloven!
Lezen: Lukas 1:46-56; zingen: Lofzang van Maria :1
7 OKTOBER
Zacharias schreef: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen.
Lukas 1:63
Wat God doet, is wonderlijk. De dichter zingt ervan:
Gij doet duizend wonderheên,
Gij zijt God, ja Gij alleen.
Het antwoord op Gods wonderen is verwondering.
Wat is in Lukas 1 het wonder? Niet alleen dat dit oude echtpaar een kindje krijgt – net als Abraham en Sara – maar dat hij Johannes mag heten. Meer: dat de naam Johannes in zijn leven en door zijn dienst zal blijken waar te zijn.
De naam Johannes betekent ‘de Heere is genadig’, of: ‘de Heere bewijst genade’. Het woord ‘genade’ heeft altijd betrekking op twee personen: de persoon die het verleent en de persoon die het ontvangt. De persoon die genade verleent, is goed, gunstrijk. De persoon die genade ontvangt, is slecht, strafwaardig.
Die twee personen passen helemaal niet bij elkaar, zeker niet als het gaat over een koning en een misdadiger – en over zulke personen gaat het bij de naam Johannes. En toch: die twee personen passen nu toch bij elkaar. Maar dat is helemaal een wonder.
Het gaat over de gunstrijke God, Die niet verplicht is om ons genade te bewijzen. En het gaat over ons, die de doodstraf verdiend hebben, en die het niet verdiend hebben om gratie te ontvangen.
Het gaat over u als misdadiger, en over God als Koning.
Door de prediking van Johannes bewijst God genade – zowel ontdekkende en beschuldigende genade als verzoenende en vergevende genade. Ja, Johannes mag zelfs aanwijzen tegen welke hoge prijs God die gratis-genade ‘kocht’. De genadige gezindheid in God hoefde Jezus niet te ‘kopen’ met Zijn offerdood op Golgotha. Maar de genadebewijzen, tot in het hart en de ziel van de grootste misdadigers, moesten betaald worden met de hoge prijs van Zijn bloed.
Kom verwonder u, hier, lezer!
Lezen: Lukas 1:57-66; zingen: Psalm 86:5
8 OKTOBER
Geloofd zij de Heere, de God van Israël, want Hij heeft (Zijn volk) bezocht, en voor Zijn volk verlossing teweeggebracht.
Lukas 1:68
Zacharia noemt God: de God van Israël. Er was een bijzondere band tussen God en dit volk. Het hele Oude Testament getuigt ervan. Het begin lag in Gods verkiezend welbehagen: Hij richtte een verbond op met Abraham en zijn nakomelingen.
Het vervolg lag ook bij Hem: Hij bezocht het slavenvolk in Egypte, toen zij Hem niet dienden. In de woestijntijd hield Hij het met dit volk vol, hoewel zij Hem veertig jaren lang verdriet deden. Ook in de eeuwen die volgden, heeft Israël niets bijgedragen om het verbond met zijn God in stand te houden, of de band met de Heere sterker te maken. Integendeel!
Dat God in de dagen van Zacharias nog steeds de God van Israël is, is puur Zijn goedheid en trouw.
En wie enigszins weet hoe het toen met de zedelijke en godsdienstige situatie van het volk der Joden was gesteld, kan alleen maar diep verwonderd zijn dat de Heere toch nog zo kan worden genoemd door de vader van Johannes de Doper.
Het bevat voor ons een hele les: vernederend aan de ene kant, omdat we niet hoger kunnen stijgen dan Israël. Vertroostend aan de andere kant, omdat we hier in Gods hart zien. Hij wil ook na al die eeuwen van afmakingen en afwijkingen toch de God van dat volk heten. En Hij bezoekt haar, niet met plagen en straffen, maar met de kracht van wat de naam Johannes betekent: de Heere is genadig.
Hij brengt immers verlossing teweeg. En wat voor een verlossing! Niet losmáking alleen, maar ook loskóping. Dus Zijn pure liefde in de weg van heilig recht. En de prijs? Het Lam Gods, door Johannes aangewezen, door de prediking aangeprezen, en door God de Vader weggegeven!
Lezen: Lukas 1:67-75; zingen: Lofzang van Zacharias : 1
9 OKTOBER
Gij, kind, zult een profeet des Allerhoogsten genoemd worden; want gij zult voor het aangezicht des Heeren heengaan.
Lukas 1:76
Zacharias richt zich tot de baby, het wonderkind, dat net geboren is. Na negen maanden zwijgplicht is vader Zacharias vol van de grote wonderen van zijn God.
Wat gaat de Heere door dit kind allemaal doen?
Johannes zal profeet van de Allerhoogste zijn. Johannes zal de weg voor de Heere Jezus gereedmaken. Zo zal hij het Joodse volk voorbereiden op Zijn komst. Johannes zal door zijn prediking bekendmaken dat de zaligheid bestaat in de vergeving van hun zonden. Zo is Johannes het bewijs dat het hart van God overloopt van liefde en goedheid. Daarom zal Hij Zich met innige barmhartigheid om dit volk bekommeren.
Een hemels licht zal door de prediking van Johannes schijnen, zodat mensen die in het donker en de schaduw van de dood zitten, op de weg van de vrede worden gebracht.
O, het hart van Zacharias is boordevol, omdat God zo oneindig goed is!
En van ons? Zou het niet goed zijn om de Heere te smeken ons een hart vol lof en dank te geven voor Zijn onbegrijpelijk grote genade? De prediking van Johannes met de doop als teken en garantie van de vergeving, is ook in onze dagen nog waar. Niet alleen het oude bondsvolk, maar ook de heidenvolken mogen horen van de innerlijke bewegingen der barmhartigheid van onze God, waarmee de Opgang uit de hoogte ons heeft bezocht en bezoekt. En het doel van dit bezoek is ook voor ons: om te verschijnen aan degenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw van de dood en om onze voeten te richten op de weg van vrede.
Zou u niet aan Zijn voeten mogen buigen om ootmoedig een beroep te doen op dat hart van God dat overloopt van liefde en goedheid?
Lezen: Lukas 1:67-80; zingen: Lofzang van Zacharias : 5
10 OKTOBER
Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, tot de stad Davids, die Bethlehem genoemd wordt, (omdat hij uit het huis en geslacht van David was).
Lukas 2:4
Gods raad zal bestaan en Hij zal al Zijn welbehagen doen. Daar kan Hij kleine dingen voor gebruiken, ook grote. Daar moeten onaanzienlijke mensen aan meewerken, en ook heel belangrijke. De keizer van Rome, die geen rekening met de God van de Joden houdt, moet toch een wet uitvaardigen, waardoor Jozef op de juiste tijd terecht komt op de juiste plaats. Waarom? Omdat het God behaagt. De beloofde Messias zal in Bethlehem ter wereld komen, zo heeft Micha voorgezegd. En het gebeurt. God vergeet Zijn beloften niet. Hij laat niets over aan het zogenaamde toeval, of de willekeur van mensen, maar Hij bestuurt alle dingen en alle mensen.
De verklaring die Lukas er tussen haakjes bijvoegt, doet ons iets zien van Gods trouw. Al is het duizend jaar geleden dat de Heere het aan David heeft beloofd, dat hij de stamvader van de Messias zal worden, toch is de belofte niet verouderd en niet vergeten. Voor de Heere zijn duizend jaren maar als een dag.
Verder kan het ook troosten als we overdenken wie de nakomelingen van koning David, van geslacht tot geslacht, waren. Er waren niet veel vrome koningen bij. Er waren er heel wat die het er naar maakten dat de Heere Zijn belofte zou afkappen. Maar dat doet Hij niet. Hij blijft trouw aan Zijn beloftewoord. En dit is in onze dagen nog zo. Daarom zal Gods Woord vervuld worden en daarom zal Gods gemeente gebouwd en gezaligd worden.
Troost deze betrouwbaarheid van God u? Ook in de zwartste nacht en de moeilijkste wegen?
Lezen: Lukas 2:1-7; zingen: Psalm 72:10
11 OKTOBER
…vrede op aarde…
Lukas 2:14
Zij die vrede hebben met God, hebben vrede met hun lot. Deze vrede wordt gemist, zolang we de geloofsband met Christus missen. Hij is onze Vrede. Hij was beloofd als de Vredevorst. Hij heeft waar gemaakt wat Psalm 72 profeteert: de bergen zullen voor het volk vrede dragen, ook de heuvels, met gerechtigheid.
We moeten ons zelf er eerlijk op bevragen of wij iets kennen van die vrede die de Heere door de hogepriesterlijke zegen op Zijn gemeente legt: “De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede.”
Hoe Elifaz het heeft bedoeld, weet ik niet, maar wat hij zegt, is 100 procent waar: “Gewen u toch aan God, en heb vrede.”
Wil God wel vrede geven, hier op aarde? David zegt er in Psalm 35 vers 27 het volgende over: “Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid, en laat hen gedurig zeggen: groot gemaakt zij de Heere, Die lust heeft tot de vrede van Zijn knecht.”
Hoe geeft Hij ons vrede? Door Zijn beloftewoord. De dichter zingt in Psalm 85 vers 9: “Ik zal horen, wat God, de Heere, spreken zal, want Hij zal tot Zijn volk en tot Zijn gunstgenoten van vrede spreken.”
Op welk pad ervaren wij vrede? Hetzelfde Bijbelboek leert het ons in 119 vers 165: “Die Uw wet liefhebben, hebben grote vrede.”
De Heere nodigt ons allen uit om bij Hem vrede te zoeken. In het boek van de profeet Jesaja zegt God dat wij Hem mogen aangrijpen om vrede met Hem te maken. God belooft (hoofdstuk 27 vers 5): “Vrede zal hij met Mij maken.”
Verlangt ook u zo naar die vrede die alle verstand te boven gaat? Dan kunt u van harte instemmen met de woorden van Jesaja 52 vers 7: “Hoe lieflijk zijn op de bergen de voeten van hem, die het goede boodschapt, die de vrede doet horen.”
Lezen: Lukas 2:8-20; zingen: Psalm 131:3
12 OKTOBER
Gelijk geschreven is in de wet des Heeren: al wat mannelijk is, dat de moeder opent, zal voor de Heere heilig genoemd worden.
Lukas 2:23
De wet die Jozef en Maria met hun Kind verplicht naar de tempel in Jeruzalem te gaan, gaat terug op de verlossing uit Egypte. Toen werd in de paasnacht uit elk gezin de oudste zoon gedood, tenminste waar geen bloed aan de deurposten was gestreken. De oudste zoon in het gezin van Israëlieten mocht blijven leven, tenminste als het bloed van het paaslam wel aan de deurposten was gestreken.
Ondertussen zijn er veertienhonderd jaren verstreken, maar nog altijd geldt het gebod: de oudste zoon is voor de Heere; is gewijd aan de dienst van God.
Lukas herinnert zijn lezers hieraan, want alles in het Oude Testament spreekt uiteindelijk over de beloofde Verlosser, de onmisbare Zaligmaker. En het is goed om dit te zien. We verstaan het grootste deel van onze Bijbel niet echt, wanneer we Christus niet ontdekken in de ceremoniën, de wetten en profetieën. Maar als we leren wat Jezus later Zelf zegt, namelijk dat heel het Oude Testament over Hem getuigt, dan krijgen al die oude gebruiken een nieuwe glans en dan verwonderen we ons hoe de Heere God al eeuwen lang bezig was om Zijn volk voor te bereiden op en heen te leiden naar de komst van Zijn Zoon. Ja, dat Hij steeds bezig was hen te onderwijzen in de betekenis van het Offer. Zo maakte Hij plaats voor en werkte Hij verlangen naar de Messias.
En nu wij. Hoe is dit bij ons? Verlangen we er naar om de ‘gelaatstrekken’ van Jezus te ontdekken in wetten en psalmen, in plechtigheden en voorzeggingen? Zien we daarin bij nieuwtestamentisch licht de rijkdom van Wie Hij is en wat Hij deed en leed?
Lezen: Lukas 2:21-27; zingen: Psalm 119:83
13 OKTOBER
…opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden.
Lukas 2:35
Waar Gods Zoon binnentreedt, komen de gedachten van de mensen openbaar. Hij is het scheidingspunt. U kunt bij Jezus namelijk niet neutraal blijven. Het is één van tweeën: óf u aanvaardt Hem, óf u verwerpt Hem. Lukas omschrijft het in het leven van Zacheüs zo: hij ontving Jezus met blijdschap.
Op de Pinksterdag wordt het: die het woord van Petrus gaarne aannamen.
Over Cornelius en zijn huisgenoten schrijft hij: de apostelen hoorden, dat de heidenen het Woord Gods aangenomen hadden.
Johannes stemt hiermee in: de Zijnen hebben Hem niet aangenomen, maar zovelen Hem aangenomen hebben…
Op een andere plaats lezen we: van toen af gingen velen van Zijn discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.
En ook uw gedachten komen bij Jezus openbaar.
Hoe komt dit zo? Omdat Hij door God is aangesteld als de Zaligmaker van de wereld. Hij laat u niet met rust, maar eist geloof en gehoorzaamheid. Simeon zegt het zo: velen in Israël zullen zich aan dit Kind ergeren, tot hun eigen ongeluk. Maar aan vele anderen zal Hij de grootste vreugde geven in hun behoud. Door Hem wordt uw ziel gered en uw armoede in rijkdom veranderd. Bij Hem ontvangt u rust. Door de geloofsband met Maria’s Zoon alleen wordt u weer echt mens – een mens, zoals God u bedoeld heeft: vol van God.
Los van deze Messias blijft u zoeken naar het geluk dat u nooit zult vinden, blijft u hongeren naar een verzadiging die u nooit zult krijgen, en tevergeefs verlangen naar vrede.
Welke gedachten zijn bij u openbaar geworden? Verstaat u de taal van de dichter:
Jezus, Uw verzoenend sterven
Blijft het rustpunt van ons hart.
Als wij alles, alles derven,
Blijft Uw liefd’ ons bij in smart.
Lezen: Lukas 2:25-38; zingen: Lofzang van Simeon :1,2
14 OKTOBER
Jezus’ ouders reisden elk jaar naar Jeruzalem, op het feest van Pascha.
Lukas 2:41
Zoals God in Zijn wet het heeft geboden, doen de ouders van Jezus: drie keer per jaar moeten alle mannen voor het aangezicht van de Heere verschijnen. Met Zijn ‘aangezicht’ wordt het heiligdom bedoeld. Ook dus met het feest van de uittocht uit Egypte, Pascha.
Jezus mag nu ook mee. Hij is het ware Paaslam. Maar op dat moment weet nog niemand dit. Maria en Jozef hebben wel de ernstige woorden gehoord van Simeon: “…ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan”, maar of zij begrepen dat hun Zoon het eigenlijke Paaslam zou zijn en al was…?
Wij weten het wel. Paulus schrijft aan de Korinthiërs: “Ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.”
In Jeruzalem zal Hij over goed twintig jaar als het Godslam geslacht worden. Wat een diepte van gedachten!
Ons troost in de geschiedenis van de twaalfjarige Jezus in de tempel, dat Hij daar in de dingen van Zijn Vader wil zijn. Wat hebben wij Hem ook hierin als onze Plaatsvervanger nodig! Waarom? Omdat wij bezig zijn in de dingen van onze vader. Wie is dat? Luister naar het woord van Jezus, dat we lezen in Johannes 8 vers 44: “Jullie zijn uit de vader de duivel en willen de begeerten van jullie vader doen”, zegt Hij. Wat is dat bijzondere werk waarin wij zo druk bezig zijn? Jezus vervolgt: “Hij was een mensenmoordenaar vanaf het begin.” Vreselijk! Maar er is nog meer: “Hij is in de waarheid niet staande gebleven.” En het gevolg hiervan is: “Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij uit zijn diepste innerlijk.” Onze vader, de duivel, is een leugenaar, en de vader van de leugen.
Wat wordt Jezus ons onuitsprekelijk dierbaar, bezig in de dingen van Zijn Vader – voor ons!
Lezen: Lukas 2:39-52; zingen: Psalm 65:2
15 OKTOBER
Alle vlees zal de zaligheid Gods zien.
Lukas 3:6
Johannes draagt een bijzondere naam, zoals we weten: Jehovah, de HEERE, is genadig. Wanneer hij na ongeveer dertig jaar in het openbaar gaat prediken, wordt dit merkbaar. Hij mag beginnen met de troostboodschap van de profeet Jesaja van zevenhonderd jaren geleden, aan te halen en erbij te zeggen dat deze wonderlijke woorden nu vervuld worden. Welke woorden zijn dat dan? Alle vier evangelisten vertellen ons dat Jesaja 40 nu in vervulling gaat. God beveelt Zijn knechten, onder wie dus ook Johannes de doper: “U moet Mijn volk troosten.” Waarin bestaat deze troost? Het volgende vers vertelt het ons: “Spreek naar het hart van Jeruzalem, en roep haar toe, dat haar strijd vervuld is, dat haar ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des HEEREN dubbel ontvangen heeft voor al haar zonden.”
Zo mag nu Johannes de komst van de Trooster aankondigen en voorbereiden. Daarom roept hij op tot bekering: maak de weg des Heeren in orde. Want zo zullen ravijnen vlak worden, en bergen begaanbaar. Zo zullen kromme en hobbelachtige wegen effen worden. Dit is natuurlijk geestelijk bedoeld.
Hoe kunnen wij de weg des Heeren in orde maken en ons op de komst van de Zaligmaker voorbereiden? Het gebeurt door dezelfde prediking van deze wegbereider en boeteprediker. Hij maakt aan de luisteraars bekend wat hun zonden zijn en hij wijst hun de weg van schuldbelijdenis en van smeekbede om schuldvergiffenis. Zó wordt de komst van de Zaligmaker voorbereid.
Op deze manier – en niet anders – zal het zo diep-zondige vlees van adamskinderen de zaligheid of heerlijkheid van God zien. Ook Simeon spreekt daarover: “Mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.”
Lezen: Lukas 3:1-6; zingen: Psalm 68:10
16 OKTOBER
De bijl ligt ook al aan de wortel der bomen; elke boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.
Lukas 3:9
De eerste preek die ik als kandidaat hield, op 18 november 1979, in Driesum, ging over deze woorden: de bijl ligt aan de wortel van de bomen. Waarover gaat het? Het strafgericht wordt aangekondigd. God neemt de zonde serieus en ziet ze niet ‘door de vingers’. Hebt u het ook zo nodig met ernstige woorden te worden gewaarschuwd? Kunt u zo gemakkelijk verder leven, terwijl u de Heere nog niet te voet bent gevallen en om genade hebt gesmeekt? En bent u er ongevoelig onder dat u elke dag dichter bij dat vuur komt, waarover Johannes spreekt: …en in het vuur geworpen. Jezus sluit Zich in Markus 9 hierbij aan met de woorden: “…waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt.”
Liever willen we hier niet van horen, niet over denken en zeker niet van wakker liggen. Maar Johannes zwijgt er niet over. Als het vuur denkbeeldig is, kunnen we er beter over zwijgen. Maar, o, als het vuur werkelijkheid is, dat eeuwige vuur; en Gods knechten zwijgen erover, wat dan? Dan bedriegen zij u, dan wordt u in slaap gewiegd. En als er één ding is, dat de duivel graag wil, is het wel: dat u de werkelijkheid van de eeuwige straf niet ernstig neemt, en dus niet in uw nood en verlorenheid tot Christus de toevlucht neemt.
Wat is nu volgens Johannes de reden dat God Joodse mensen, gedoopte christenen, in het vuur zal werpen? Dat wij geen vrucht dragen.
Jezus zegt het met deze woorden: “Wie niet in Mij blijft, wordt als rank buitengeworpen en verdort. En men vergadert ze, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.”
Draagt u vrucht? Draag jij vrucht? En ik?
Lezen: Lukas 3:7-14; Zingen: Psalm 1:2
17 OKTOBER
Johannes dan, ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde aan het volk het Evangelie.
Lukas 3:18
Wat doet Jezus’ voorloper en wegbereider? Hij preekt de doop der bekering tot vergeving der zonden. Dit wordt in vers 18 omschreven met de woorden ‘vermanen’ en ‘het evangelie verkondigen’. Vermanen betekent met ernst aansporen. Wat betekent ‘het evangelie verkondigen’? Het Griekse woord betekent ‘goed nieuws brengen, blijde berichten aankondigen’. Het werd in het dagelijkse leven gebruikt voor iedere soort goed nieuws.
Een vraag die we ons moeten stellen, is: wat zou voor mij een blijde tijding zijn?
In de tijd van het Oude Testament is het vooral de vreugdevolle tijding van Gods goedheid, met name van de Messiaanse zegeningen.
Opnieuw komt hieruit een vraag tot ons: welke zegen zou ik het liefst ontvangen?
In het Nieuwe Testament gaat het bij het woord ‘evangeliseren’ vooral over de blijde tijding van de komst van het Koninkrijk van God en van het behoud dat erin gevonden wordt door Christus.
Voor de derde keer borrelt er vanuit de betekenis van het Griekse woord een vraag omhoog: welk behoud begeer ik door Christus?
Lukas schrijft dat Johannes allen die het maar willen horen, vermaant en ook aan allen die maar binnen gehoorsafstand komen, het evangelie verkondigt. Iedereen mag het horen, voor iedereen is het nodig – ook al weten velen het niet. En voor iedereen is het aangekondigde behoud beschikbaar. Niemand hoeft bang te zijn dat hij te slecht is, te oud, te onwetend, te onwaardig. Vertel uw nood aan Hem, Die Zelf Johannes riep om de blijde tijding te brengen van bekering en vergeving. En Die ook Zelf Johannes opdroeg deze boodschap te bevestigen met de waterdoop.
Lezen: Lukas 3:15-22; zingen: Psalm 98:2
18 OKTOBER
Jezus begon ongeveer dertig jaren oud te wezen, zijnde (zoals men meende) de Zoon van Jozef … de Zoon van Adam, de Zoon van God.
Lukas 3:23,38
Een geslachtsregister lezen is niet zo zinvol, levert geen troost op – denken we misschien. Zoals Lukas echter de lange lijst van voorouders van Jezus ons voorstelt, is het toch wel zinvol en levert het toch wel troost op. In de eerste plaats dat hij schrijft: “Zoals men meende”. Dit duidt erop dat Jozef niet de natuurlijke of biologische vader van Jezus is. Hierin ligt troost. Wat voor troost? Dat Jezus niet deelt in de besmette voortplanting vanaf onze eerste stamvader Adam. Jazeker, Adam wordt wel genoemd, maar toch: er is een geheim. Dit troostvolle geheim van de geboorte van Jezus zonder aardse vader komt in antwoord 36 van onze Catechismus aan de orde. Op de vraag wat voor nut we krijgen uit de heilige ontvangenis en geboorte van Christus, antwoordt de catechisant: “Dat Hij onze Middelaar is, en met Zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt.”
Er is nog meer troost in de geslachtslijst van Lukas 3 te vinden. Anders dan Mattheüs stopt Lukas niet bij Abraham, maar vervolgt hij de lijn der geslachten tot op Adam. Hier zien we dat Jezus niet alleen bij de Joden hoort, maar bij alle volken. Hebben we ons hierover wel eens verwonderd? Alle volken op de hele aarde horen het heil van Abrahams Nageslacht…
Het laatste: Jezus heet via Adam ‘Zoon van God’. Dit was Hij al naar Zijn Goddelijke natuur, maar nu dus ook naar Zijn menselijke natuur, net als u en ik. Hoe diep ook gevallen, wij zijn Gods nageslacht. Geschapen naar Zijn beeld – en daarom kunnen we nog verlost worden!
Lezen: Lukas 3:23-38; zingen: Psalm 86:3
19 OKTOBER
De duivel zei: “indien Gij Gods Zoon zijt, zeg tegen deze steen, dat hij brood wordt.”
Lukas 4:3
Wat een diepte van liefde komt ons tegemoet in de geschiedenis van de verzoeking van Jezus door de duivel in de woestijn! Dat Gods Zoon Zich zó wil vernederen… Hij is de Almachtige, de Koning van het heelal en van alle schepselen. En toch laat Hij de duivel toe om Hem te verleiden en te bestrijden. Paulus schrijft over Jezus: wij hebben een Hogepriester, die medelijden kan hebben met onze zwakheden. Omdat Hij in alle dingen verzocht werd, net als wij.
Er is wel een groot verschil tussen Hem en ons, maar niet in de verzoeking. Het verschil is in de reactie: Jezus is in al die verzoekingen zonder zonde. En zo is Hij een barmhartige en getrouwe Hogepriester; precies geschikt om de dingen die bij God te doen zijn, in orde te brengen, en zo de zonden van het volk te verzoenen. De apostel schrijft er ter verklaring bij: Want waarin Jezus Zelf verzocht werd, kan Hij ons, nu wij verzocht worden, te hulp komen.
Zo is de geschiedenis van de verzoeking van Jezus door de duivel een bron van vertroosting voor aangevochten christenen. Wordt u verleid of bestreden, voelt u zich niet opgewassen tegen die verleidingen en bestrijdingen? Zie dan op Hem Die de verzoekingen heeft gedragen en de verzoeker heeft verslagen.
Zeker was de verzoeking in de woestijn ook voor Jezus van de hoogste betekenis, om namelijk het middelaarswerk te kunnen beginnen en zo te kunnen volbrengen. Maar niet minder is deze geschiedenis voor ons, eeuwen en eeuwen later, van grote betekenis. Bent u door de geloofsband van de Heilige Geest één met deze verzochte en overwinnende Zaligmaker? Dan mag u weten dat Zijn overwinning op uw rekening staat.
Lezen: Lukas 4:1-13; zingen: Psalm 71:2
20 OKTOBER
De Geest des Heeren is op Mij, daarom heeft Hij Mij gezalfd. Hij heeft Mij gezonden, om aan de armen het Evangelie te verkondigen.
Lukas 4:18
Het werk van de Heere Jezus wordt omschreven met de woorden: aan de armen het evangelie verkondigen. Het woord ‘evangelie’ betekent: goede boodschap. Wanneer is een boodschap goed? Voor een stervende is het geen goede boodschap als hij hoort dat hij een miljoen heeft geërfd. Wat heeft hij eraan, nu hij nog maar een enkele dag te leven heeft? En voor een moeder die wanhopig haar weggelopen kind van drie loopt te zoeken, is het geen goede boodschap te horen dat haar oudste zoon zijn rijbewijs heeft gehaald. Wanneer is een boodschap een goede boodschap? Als die past bij de nood van de persoon: water voor een van dorst omkomende woestijnreiziger, genezing voor een opgegeven patiënt, bevrijding voor een gevangene van een terroristische organisatie.
We kunnen ons dus afvragen waarom het evangelie echt een goede boodschap, echt evangelie is. In het evangelie gaat het over verzoening. Dat betekent voor strafwaardige mensen dat ze verlost worden van hel en verdoemenis. Een goede boodschap, vindt u niet? Maar meer: het gaat over eenheid met God, zo dat God aan Zijn eer komt en u aan de zaligheid. Echt een goede boodschap, vindt u niet?
Maar nog rijker wordt het evangelie als we bedenken hoe deze verzoening tot stand kwam tussen de heilige, rechtvaardige God én onheilige, onrechtvaardige mensen: namelijk door de onuitsprekelijke liefde van Jezus Christus in Zijn Zelfovergave aan het kruishout.
U wist het al. Er is voor u weinig nieuws in het evangelie. Maar het is niet verkeerd de Heere te bidden dat Hij voor uw geloofsbewustzijn het bekende nieuw maakt.
Lezen: Lukas 4:14-21; zingen: Psalm 33:2
21 OKTOBER
Zij werden allen in de synagoge met toorn vervuld, toen zij dit hoorden.
Lukas 4:28
Misschien vraagt u zich af waarom de luisteraars in de synagoge van Nazareth opeens zo boos worden. Ze vinden in het begin de preek van hun Plaatsgenoot Jezus heel mooi. Hij spreekt zulke aangename woorden… En nu opeens zo boos. Wat is er gebeurd? Jezus spreekt over Gods vrijmacht om verbondskinderen over te slaan en heidenen te begenadigen. In de dagen van Elia waren er ook in Israël weduwen bij wie de profeet een veilig onderkomen had kunnen vinden en die zo in Gods wonderkracht hadden kunnen delen. Maar nee, God stuurde Zijn knecht naar een heidense weduwe en zij ontving de rijke zegen die weduwen van het verbondsvolk niet ontvingen… En zo ging het ook in de tijd van zijn opvolger, Elisa. Er waren vast ook onder de Israëlieten melaatse mensen, maar van hen allen ontving niemand genezing, terwijl een heidense legerofficier, Naäman, werd wél genezen…
De luisteraars voelen het wel: Jezus bedoelt te zeggen dat zij geen streepje voor hebben op anderen. En dit is tegen het zere been. Dit willen ze niet weten en dus ook niet horen. En daarom worden ze zó woedend, dat ze Jezus willen vermoorden.
En zo is het nu nog: Gods vrijmacht om trouwe synagogebezoekers of kerkgangers voorbij te gaan en over te slaan, en een wereldse buurvrouw of mohammedaanse allochtoon te begenadigen… Zijn wij het hiermee eens gemaakt? Leerden wij God aanbidden vanuit onze totale rechteloosheid? O, wat wordt het dan een eeuwig Godswonder om als zo’n arme weduwe in Zarfath en zo’n melaatse Syriër aan Zijn voeten te vallen en genade te ontvangen!
Van harte toegewenst dit plaatsje in te nemen: rechteloos en zo begenadigd.
Lezen: Lukas 4:22-30; zingen: Psalm 72:6
22 OKTOBER
Hij kwam te Kapernaüm en leerde hen op de sabbatdagen.
Lukas 4:31
Dat Jezus onderwijst, is de duivel niet welgevallig. Zo blijkt uit het vervolg van dit gedeelte: in de synagoge is een mens die de geest van een onreine demon heeft. En hij roept met een grote stem: “Houd op, wat hebben wij met U te maken, Jezus van Nazareth? Bent U gekomen, om ons te verderven? Ik ken U, wie U bent, de Heilige van God!”
Zo is het nog: waar het Woord aan het woord komt, doet de grote tegenstander van God en van ons behoud er alles aan om de doorwerking ervan tegen te staan en om enige zaligmakende vrucht op de prediking te voorkomen. Maar Jezus blijkt sterker dan deze onreine en boosaardige geest. Hij werpt hem uit en verlost de bezetene.
Wat een bemoediging voor u, wanneer u de kracht van het rijk van leugen en bedrog hebt leren kennen en niet kunt breken. Wat een hoop biedt dit voor hen die bij hun kinderen en anderen zien hoe machtig satan is in zijn boos opzet om het Koninkrijk van Jezus tegen te werken. Onze Heiland is almachtig. Geen hellemacht is bestand tegen Zijn Heilige Geest. En zo schrijven en preken we door. Zo blijft u getuigen en kinderen opvoeden en onderwijzen. Zo gaan we verder met catechisatie geven en bezoekwerk doen. God zorgt voor de vrucht – ondanks de woede van de duivel en van alle helle-krachten.
Wat voor onderwijs geeft Jezus? Hij onderwijst niet alleen door kennis voor te stellen, maar door kennis mee te delen, wijs te maken tot zaligheid.
Zit u ook aan Jezus’ voeten? Luistert u aandachtig naar Zijn stem? Is uw hart leergierig en heilbegerig? Hoe meer Hij u onderwijst, hoe duidelijker u beseft hoe weinig u weet en hoe hoger u Hem dan als Leraar waardeert.
Lezen: Lukas 4:31-37; zingen: Psalm 40:5
23 OKTOBER
Hij predikte in de synagogen van Galilea.
Lukas 4:44
Het lijkt precies hetzelfde als gisteren: Jezus onderwijst en preekt. En u hebt gelijk: door Gods goedheid is het vandaag precies zoals gisteren en eergisteren: Jezus onderwijst en preekt. Hij doet dit door Zijn knechten. Het is een voorrecht om dagelijks onderwijs en ook herhalingsonderwijs te krijgen. We vergeten zo gauw wie wij zijn in onze afhankelijkheid. We vergeten Zijn beloften van kracht en hulp, genade en liefde, trouw en ontferming. Daarom: wat een wonder dat Hij niet ophoudt met preken en onderwijzen!
Het Griekse woord voor ‘prediken’ betekent: als heraut optreden. Wat is het werk van een heraut? Een boodschap van de koning of, in die tijd, de keizer te Rome, bekend te maken. Jezus komt niet namens een aardse koning en zelfs niet namens de keizer, maar namens de Koning der koningen, de Schepper van het heelal, Die ook de Koning van Israël is.
Welke boodschap kunnen we verwachten van de door ons zo beledigde Majesteit? Hebben wij het in ons diepste innerlijk geleerd, dat het niet anders kan zijn dan Paulus schrijft in Romeinen 1: “Gods toorn wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, omdat zij de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden!”
En dan, o, totaal ongedacht en helemaal onverdiend is de afkondiging door deze Heraut: “Ik schep de vrucht der lippen: vrede, vrede voor degenen die ver zijn, en voor degenen die nabij zijn”, zegt de HEERE, “en Ik zal hen genezen.” Zo mocht Jesaja het eeuwen geleden al zeggen. Door Jezus werd het toen en wordt het tot op vandaag toe vervuld: vrede met God door het offer van Golgotha!
Lezen: Lukas 4:38-44; zingen: Psalm 72:2
24 OKTOBER
Simon Petrus, dat ziende, viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: “Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens.”
Lukas 5:8
Bent u ook jaloers op het plaatsje van Petrus: aan de knieën van Jezus? De weg naar die plek van ootmoed en aanbidding vinden wij in de voorgaande verzen: Jezus’ goedheid, die tevoorschijn komt in Zijn macht, Zijn zorg en Zijn wijsheid. Hij stuurt vissen in het net; Zijn grote macht. Hij zorgt vlak voordat deze kostwinners alles moeten verlaten, voor extra inkomen; Zijn bijzondere zorg. Hij tekent hun in deze visvangst voor ogen wat hun toekomstige werk zal zijn en hoe succesvol het zal zijn; Zijn Goddelijke wijsheid.
Dan kan Petrus niet meer overeind blijven. Hij valt neer en belijdt het: “Ik ben een zondig mens.” De woorden zijn bekend. Veel uitleg is voor het lezerspubliek van Verzamelde Aren niet nodig. Van harte mogen we elkaar toewensen de inhoud ervan te verstaan. Om de diepte van onze zonde geheel en al te peilen hebben we ons leven lang nodig. En om op deze manier iets en steeds meer te verstaan van dat moeilijke woord: zonde. God door mij gekrenkt, onteerd, beledigd, bedroefd.
Nu vraagt Petrus aan Jezus om weg te gaan. Dat bedoelt hij natuurlijk niet zo als het klinkt. Hij wil maar al te graag dat Jezus blijft, maar hij beseft en zegt, het niet waard te zijn dat Hij dit zal doen. Daarom zegt hij, met andere woorden: “Heere, ik ben niet waardig dat U met mij te maken wilt hebben…”
En om dan Zijn leerling en volgeling te mogen worden, zoals Jezus direct hierop tegen hem zegt. Wat een wonder! Hier zien we Gods Zoon in het hart: afgekeurde en ongeschikte adamskinderen begenadigt Hij en neemt Hij in dienst.
Dan kan het ook voor u nog, denkt u niet?
Lezen: Lukas 5:1-11; zingen: Psalm 32:3
25 OKTOBER
Jezus, de hand uitstrekkende, raakte hem aan en zei: “Ik wil, word gereinigd!”
Lukas 5:13
Melaats te zijn was een ramp, een verschrikking! Hoe we de ziekte medisch moeten beoordelen, is niet zo belangrijk – maar Bijbels is het heel duidelijk: melaatsheid was een oordeel van God.
De melaatse vráágt niet om reiniging, maar belíjdt ‘slechts’ Jezus’ macht: “Als U wilt, kunt U mij van mijn melaatsheid verlossen. U bent daar machtig voor en ook gevolmachtigd. U kunt en U mag dit ontzettende oordeel van God van mij wegnemen.” Zo gelooft de melaatse. Wat een groot geloof heeft deze man! En wat een onderworpenheid tegelijk. Want hij vraagt niets, maar belijdt alleen maar.
Hier kunnen we heel wat van leren: een juiste visie op Jezus als machtig en door de heilige Vader gevolmachtigd om oordelen van God van ons af te nemen, ja: van ons over te nemen, op Zich te nemen. En ook dit kunnen we leren van de melaatse gelovige: Jezus aanbidden. Hem laten beslissen wat Hij doet.
We lezen nu dat Jezus niet alleen iets zegt – en wat voor heerlijk woord zegt Hij! Maar behalve die zielverkwikkende Godswoorden ‘Ik wil, word gereinigd’, lezen we ook dat Jezus de melaatse aanraakt. Dit is bij wet verboden. Wie een onreine aanraakt, wordt zelf ter plekke onrein. Maar Jezus niet. Hij is de Reine en neemt onze onreinheid op Zich zonder Zelf onrein te worden.
Wat een barmhartigheid spreekt uit dit gebaar. Immers nooit raakte iemand een melaatse aan. Altijd schuwde iedereen hem en ging iedereen hem uit de weg – zelfs zijn vader en zijn moeder, zijn broers en zijn zussen, zijn vrouw en zijn kinderen. En deze Hogepriester raakt hem, de uitgestotene, aan! Als dit geen evangelie is… O, wat komt Jezus ons nabij!
Lezen: Lukas 5:12-16; zingen: Psalm 38:9
26 OKTOBER
Jezus zei tegen hem: “Uw zonden zijn u vergeven.”
Lukas 5:20
Vergeving. Een weldaad die nog groter is dan van de vreselijkste ziekte te worden genezen. Hoe komt u eraan? Uzelf uw zonden vergeven gaat niet. U moet bij Jezus terecht. Wat houdt vergeving in?
Wij hebben God beledigd. Hij is vergevingsgezind. Als wij Hem niet om vergeving vragen, is er in ons gemoed geen plaats voor vergeving. Wanneer wel? Als wij behoefte krijgen aan vergeving. Dan gaan we ook proberen die vergeving te krijgen. We gaan er om vragen. Het kan ook zijn, dat we dit niet durven omdat wij God te lang en te erg beledigd hebben. Maar wij horen van Gods knechten, dat Hij heeft uitgesproken dat Hij al onze beledigingen graag vergeeft. Als wij dit geloven, wat dan? Dan vervoegen wij ons bij Hem in het vertrouwen dat Hij ons wil vergeven, ja al heeft vergeven. En wij horen van Hem Zelf in Zijn Woord dat al onze beledigingen vergeven zijn.
Wat is er dan eigenlijk gebeurd? Bij God niets, want Hij wás al vergevingsgezind. In ons ook niets, want bij het horen dat de Heere ons heeft vergeven, verandert er in ons niets. Maar in het vertrouwen dat God het meent, worden wij heel blij, voelen wij ons heel opgelucht, ervaren wij een diepe vrede.
Maar stel nu: u hoort het, God zegt het u dat Hij in Christus vergevingsgezind is en u al uw beledigingen heeft vergeven, maar toch…: u twijfelt eraan. U denkt: dit is te groot om aan te nemen… Wat dan? Is God dan opeens niet vergevingsgezind? Ja, nog steeds. Hebt u dan wel of niet vergeving ontvangen? Wat God betreft: ja; wat u betreft: nee.
De grote vraag is dus: geloven wij God, of twijfelen wij aan Hem?
Psalm 130 vers 4 zegt: “Bij U is vergeving…”
Lezen: Lukas 5:17-26; zingen: Psalm 130:2
27 OKTOBER
Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekering.
Lukas 5:32
De roepstem van de Almachtige trekt met liefdekoorden de zondelievende tollenaar het tolhuis uit, achter Jezus aan. Hiertegen valt geen weerstand te bieden. Hieraan moet gehoor worden gegeven. Hoe onmachtig en tegenstrevig wij ook zijn, Zijn liefdewoord overwint alles. Zijn liefdekracht wint ons hele hart voor Hem in. Zijn liefdedaad-tot-in-de-dood doet alle vijandschap smelten in tranen van smart en rouw, berouw, bekering.
Geen dag spijt het Levi om alles te hebben verlaten en Jezus te volgen. De bekering die Jezus ons schenkt, is een onberouwelijke bekering tot zaligheid.
Wie mogen deelnemen aan de afscheidsmaaltijd in het huis van Levi? Rechtvaardigen hebben er niets te zoeken, net zomin als een gezonde een knie-chirurg zoekt.
Bent u verkeerd en zoekt u de rechte weg? Zit u in uw geld-huis of wets-werkhuis gevangen? Is het u gans en al onmogelijk uzelf te overwinnen en Jezus te volgen? Hij Die Levi riep, is Dezelfde in macht en gezindheid. Onrechtvaardigen roept Hij tot Zich, tot ommekeer, tot bekering achter Hem aan. Dit roepen is als bij de schepping: Hij roept de dingen die er niet zijn, alsof ze er waren. Hij spreekt, en het is er. Hij gebiedt, en het staat er.
Wat gebeurt er bij deze roepstem? Wie het ooit heeft meegemaakt, die weet het. Toen Hij mij riep, sloot Hij niet aan bij mijn waardigheid of gewilligheid; ook niet bij mijn kunnen of kennen. Maar Zijn roepstem overwon mijn onwilligheid en schiep de gewilligheid. En ook mijn onwaardigheid hield Hem niet buiten mijn hart.
Helder is uit de geschiedenis van de roeping van Levi dat niemand reden heeft te twijfelen aan de gewilligheid en genadige gezindheid van deze Hemelse Arts.
Lezen: Lukas 5:27-32; zingen: Psalm 103:2
28 OKTOBER
Jezus zei: “Kunt gij de bruiloftskinderen, terwijl de Bruidegom bij hen is, doen vasten?”
Lukas 5:34
Jezus is de Bruidegom. Zijn gemeente is Zijn bruid. De discipelen zijn de bruiloftskinderen. De statenvertalers vertellen ons dat hiermee de personen worden bedoeld, die Johannes de Doper omschrijft als de vrienden van de bruidegom. Johannes heeft het over zichzelf en Jezus heeft het over Zijn discipelen. Zij horen bij de Bruidegom, Jezus; en zij verheugen zich erin dat Deze Zijn bruidsgemeente ontmoet. Het is Johannes’ grote voorrecht om de bruidsgemeente tot de hemelse Bruidegom te leiden. Daarom is hij blij wanneer hij deze Bruidegom ziet en mag aanduiden als het Lam van God. Ook is hij intens verheugd wanneer hij ziet dat mensen Jezus volgen.
Jezus zegt nu, dat de aanwezigheid van de Bruidegom reden genoeg is om niet verdrietig of bedroefd zijn, maar blij en verheugd.
Wij zijn eraan gewend dat Jezus als de Bruidegom wordt aangeduid. Maar voor de eerste luisteraars was dit zeker niet wat ze zouden verwachten. Heel het Oude Testament tekent ons immers God als de Bruidegom en Echtgenoot van Zijn volk Israël. En nu wordt Jezus zo genoemd. Dringt Hij God van Zijn plaats? Als Jezus niet dezelfde God zou zijn als de Jehovah van het Oude Testament, zou Hij Zijn ergste Rivaal zijn. Maar Hij is geen andere god, Hij is samen met de Vader en de Heilige Geest God.
Tot op de dag van vandaag is het nog waar: wanneer Jezus als uw Bruidegom bij u is, is uw ziel verheugd. Dan bent u niet bedroefd. De aanwezigheid van uw Liefste maakt u dronken van vreugde. De taal van het Hooglied wordt uw hartentaal: “Hij kusse mij met de kussen van Zijn mond; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn.”
Lezen: Lukas 5:33-39; zingen: Psalm 45:1
29 OKTOBER
Jezus zei: “De Zoon des mensen is een Heere ook van de sabbat.”
Lukas 6:5
Gods geboden zijn heilzaam. De wekelijkse rustdag is een bijzonder geschenk van God: per week een hele dag vrij!
Wie dit gebod van God onderhoudt zoals het is bedoeld, geniet van de rust en de bijzondere gelegenheid om op adem te komen en ons op de dingen van God te richten zonder door allerlei beslommeringen van de dagelijkse drukte te worden afgeleid. We gaan dan de sabbat steeds meer waarderen. We gaan er zorg aan geven en besteden er goede aandacht aan. We willen dit voorrecht niet graag kwijtraken en niet laten afpakken door de wereld, door handel, studie of welke andere activiteiten ook.
Aan de andere kant wensen we ook niet dat deze heerlijke dag van genieting een juk wordt of een last. We laten ons de rust niet afpakken door wereldse mensen en we laten ons de vreugde niet afpakken door wettische mensen. We wensen de Heere van de rustdag te volgen, zoals Hij op deze dag goed deed en Gods goedheid verkondigde.
We laten ons ook niet graag de betekenis en invloed van de wekelijkse rustdag aftroggelen die uitgaat op de andere dagen van de week. Denk aan de prachtige omschrijving van antwoord 103 van de Catechismus: dat ik al de dagen van mijn leven van mijn zondige werken rust, de Heere door Zijn Geest in mij laat werken, en zo de eeuwige sabbat in dit leven begin.
Zo komt uit dit Schriftgedeelte de vraag op ons af: genieten wij van de wekelijkse rustdag? In het bijzonder wel door de Heere van de rustdag, Jezus? Door te leven uit Zijn dood en opstanding, waardoor de rustdag tegelijk herdenking is van Zijn overwinning op dood en duivel! Dan wordt deze dag de dag des Heeren, zoals Johannes hem op Patmos noemt (Openbaring 1 vers 10).
Lezen: Lukas 6:1-5; zingen: Psalm 92:1
30 OKTOBER
Jezus zei tegen de mens: “Strek uw hand uit.” En hij deed alzo; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
Lukas 6:10
In de synagoge is een mens met een verlamde hand. Wat een ellende! Wat een moeilijk pad! Jezus geneest hem. Daar heeft niemand iets op tegen, als het maar niet op de wekelijkse rustdag gebeurt. Het is niet levensbedreigend en dus kan het wel wachten tot de volgende dag.
Maar Gods Zoon geneest hem meteen. Als verklaring zegt Hij dat het Gods wil is dat wij op de rustdag goed doen.
Om over na te denken…!
Ondertussen hebben wij in de genezing van de man een treffend beeld van de eenheid tussen de verantwoordelijkheid en activiteit van de mens én het Godswonder. Niemand kan de hand van die man genezen; ook hij zelf niet. Hoe vele keren zal hij al hebben geprobeerd om zijn hand uit te strekken. Maar wat hij ook probeert, niets helpt.
Nu gaat Jezus hem genezen. Heeft Hij daar de hulp van die man voor nodig of van iemand anders in de synagoge? Welnee, dit kan Gods Zoon Zelf wel, helemaal alleen! Toch beveelt Jezus hem: “Strek uw hand uit.”
Zo schakelt God ook ons in, wanneer Hij onze ziel redt. Niet dat wij God meehelpen, maar het behaagt Hem ons te leren Hem in geloof te gehoorzamen.
En zo gaat het ook met die man. Hij zegt niet: “Heere, dat kan ik niet. Ik heb het al honderd keer geprobeerd, maar het lukt niet.” Wat doet hij? Die machteloze man gehoorzaamt.
O, laten wij ook zo, op gezag van Jezus, gehoor geven aan Zijn bevel: “Geloof in de Heere Jezus Christus.” Dan zullen we merken dat (bij wijze van spreken) ‘onze hand gezond wordt’, dat is: dan zullen wij zalig worden!
Lezen: Lukas 6:6-11; zingen: Psalm 95:4
31 OKTOBER
Het geschiedde in die dagen, dat Hij uitging naar de berg om te bidden, en Hij bleef de nacht over in het gebed tot God.
Lukas 6:12
Wat een indrukwekkend en leerzaam onderwijs ontvangen wij op deze laatste dag van de maand uit het Schriftgedeelte: Jezus zoekt de verborgen omgang met Zijn Vader in het gebed.
Bidden is spreken met God. En wel over alles wat ons bezig houdt. Alles aan Hem vertellen. Bidden is communicatie, gesprek, ontmoeting met God. Hij spreekt tot ons in Zijn Woord en wij spreken vanuit de grond van ons hart tot Hem. We belijden Hem hoe innig lief we Hem hebben, hoe graag we dicht bij Hem leven. Bidden is Gods nabijheid zoeken. De Heere is nabij allen die Hem aanroepen. De christen-bidder is dus niet zozeer verlegen om Gods hulp of gave, maar om Zijn gunst en nabijheid. Als Hij komt, is de ziel gerust. Zoals een kind in een donkere nacht na een angstige droom gerust is, wanneer vader of moeder maar dichtbij is.
In het gebed stellen wij onze ziel ‘bloot’ aan de stralen van de Zon der gerechtigheid, waardoor (als bij een gevoelige plaat van een foto) Zijn beeld in ons gestalte krijgt.
Bidden is dus niet onze wil en ons inzicht aan God bekend maken, veel minder aan Hem opleggen. Het is juist onze wil aan de Zijne gelijkvormig maken!
Bidden is ook niet los te maken van danken. De Catechismus zegt dat de Heere Zijn genade en Geest alleen aan zulke mensen wil geven die Hem niet alleen met hartelijk zuchten erom bidden, maar die ook meteen Hem ervoor danken.
Wat houdt het in: danken voor een gave, terwijl u om die gave bidt? Dat u belijdt: “Ik vertrouw U zo volkomen, dat ik U bij voorbaat hartelijk dank voor Uw gezindheid en belofte om mij Uw gave te schenken.”
Lezen: Lukas 6:12-19; zingen: Psalm 25:7
