Voor het Engelse origineel, zie: http://classicchristianlibrary.com/library/dickson_david/Dickson-Psalms-v1.pdf
1)1. EEn Psalm: voor den Opper-sang-meester, voor de kinderen van Korah.
1) De Bijbeltekst geef ik in de oorspronkelijke Statenvertaling, editie 1637
Voor de oudere vertaling (Deux-Aes) zie: https://www.bijbelsdigitaal.nl/view/?bible=deuxa1562
Deze Psalm beschrijft de roem van een gelovige in de genade van God en in zijn gezegende omstandigheid, waarin hij verheven is boven al de rijke en eerwaardige mensen in de wereld die niet met God verzoend zijn. En dit stelt de psalmist voor vanuit zijn eigen gevoelen en ervaring.
- En ten eerste, omdat het een hoofdzaak is en de aanvaarding van allen waard, schrijft hij een voorwoord op zijn roem (vers 2—5).
- Dan komt hij ermee naar voren, terwijl hij in God roemt, dat hij door geloof in God zo verzekerd was tegen zonde en ellende dat zij niet in staat zouden zijn om zijn gelukzaligheid te bederven (vers 6).
- Ten derde verkiest hij zijn gezegende omstandigheid boven al wat overvloed of rijkdom de mensen kon bieden (vers 7—11), en boven al wat de heerschappij over prachtige landen of eer onder de mensen iemand kon bieden, hetzij levend of na zijn dood, hetzij voor hemzelf of voor iemand van zijn nakomelingen (vers 12—15).
- Ten vierde geeft hij de reden voor zijn roem, omdat hij – gerechtvaardigd door het geloof en vrede hebbend bij God – zeker was van de bevrijding van elk kwaad, en dat hij uit zijn graf ontvangen zou worden in glorie en gemeenschap met God (vers 16).
- Ten vijfde beschermt hij elke ware gelovige tegen elke verleiding die hem kon verontrusten, wanneer hij zichzelf en andere godvrezende mensen in uitwendige moeiten ziet, en de goddelozen in voorspoed (vers 17—21).
2. Hoort dit, alle ghy volcken: neemt ter ooren, alle inwoonders der werelt.
3. Soo wel slechte als aensienlicke, t’samen rijck ende arm.
4. Mijn mont sal enckel wijsheyt spreken: ende de overdenckinge mijns herten sal vol verstants zijn.
5. Ick sal mijn’ oore neygen tot eene spreucke: Ick sal mijn verborgen reden openen op de harpe.
Het voorwoord roept de hoorder tot aandacht, geloof en toegenegenheid voor deze uitmuntende verborgenheid die hij aan alle mensen zal bekendmaken, aangaande de gezegende staat van de gelovige boven alle andere mensen in de wereld. Leer hieruit:
- Een voorbereid en geheiligd oor is nodig voor de hemelse leer, en mensen hadden het hard nodig om aangespoord te worden om kennis te nemen van het uitmuntende karakter ervan: hoor dit, alle volken. Neem ter ore.
- Het is voor alle mensen in de wereld van belang de leer van zaligheid, geloof en troost tegen zonde en ellende te kennen: neem ter ore, alle inwoners der wereld, zowel eenvoudigen als aanzienlijken, samen rijk en arm.
- Dat is de ware wijsheid en het ware inzicht, die mensen wijs maken tot zaligheid en die hen waarlijk gezegend maken in dit leven. En deze wijsheid is niet de vrucht van ’s mensen verstand, maar is geopenbaard in het Woord des Heeren, overgeleverd aan Zijn kerk door de heilige mannen van God in de Heilige Schriften: mijn mond zal wijsheid spreken, en de overdenking van mijn hart zal vol verstand zijn.
- Zoals het tot bemoediging van de prediker nodig is om te geloven wat hij preekt, zo is het een grote aansporing voor de mensen om Gods Woord van hem te horen die Gods Woord spreekt omdat hij het gelooft en zijn geest aan het Woord des Heeren onderwerpt, zoals de profeet hier doet: ik zal mijn oor neigen tot een gelijkenis.
- De leer van het ware geluk en het geheim van de zaligheid van de mens, geopenbaard in de Schrift, gaat de wijsheid van de wereld ver te boven. Het uitnemende karakter van het evangelie is voor de natuurlijke mens een gelijkenis en een duistere rede: ik zal mijn duistere rede openen op de harp.
- Hoe donker en moeilijk het geheim van het evangelie ook is voor de vleselijke wereld, toch is het voor een mens met ervaring eenvoudig, zoet en troostrijk. En zoals iemand met ervaring het beste in die zaak bezig is, zo is hij zeer gewillig om het met anderen te communiceren: ik zal, zegt hij, mijn duistere rede openen op de harp; waarmee hij zijn vermaak in de leer aanduidt.
6. Waerom soud’ ick vreesen in quade dagen, [als] de ongerechtige die op de hielen zijn, my omringen?
Na dit voorwoord uit hij zijn gelijkenis en duistere rede, waarvan dit het wezen is: ik ben zó overtuigd van de gunst van God, Die nu met mij verzoend is door het bloed van het verbond, dat ik én verleden zonden niet hoef te vrezen én geen moeite die mij hierna kan overkomen. En dit zeg ik om alle mensen te laten weten dat iedereen deze gezegende toestand kan bereiken die zijn zonden zal erkennen en die de aanbiedingen van genade, die God maakt mét Zijn aanwijzingen tot het leven, zal omhelzen, zoals ik heb gedaan. Leer hieruit:
- Wat God in Zijn Woord heeft gesproken over het ware geluk van die mens die door het geloof gerechtvaardigd is, kan elke ware gelovige vinden, en hij kan de volledige verzekering van zijn volharding tot het eeuwige leven ontvangen. Want hier is een bewijs en een voorbeeld ervan in de persoon van de psalmist.
- Deze leer van de onuitsprekelijke vrede van de verzoende gelovige met God door het bloed van het verbond is een waarheid waar de wereld onwetend van is en die ze bijna niet zullen geloven. Geen wonder dus dat hij ze eerder een gelijkenis noemde en een duistere rede, die hij nu uitspreekt.
- Een gelovige moet zich na verzoend te zijn nooit vrijgesteld achten voor gevaar om te zondigen, ook niet om aan God dagelijks verantwoording af te leggen over zijn gedrag, ook niet voor uitdagingen van de zonde of voor gewone kastijdingen vanwege de zonde, ook niet voor zware moeiten en ellendige dagen waarmee hij te maken zou kunnen krijgen – hetzij door Gods onmiddellijke hand tot zijn correctie, hetzij door de vervolgers van godzaligheid tot zijn verdere beproeving, oefening en training in het geloof. Want hier veronderstelt de psalmist dat er kwade dagen zullen komen. Hij veronderstelt dat elke zonde of ongerechtigheid van elke daad en gebeurtenis in zijn leven een afdruk van schuld zal achterlaten om daarna notitie van te maken, zoals de afdruk van iemands voet, wanneer hij zijn hiel oplicht en verder wandelt. Hij veronderstelt dat – na vergeving van zonde, na de dagelijkse beoefening van bekering en berouw, na veelvuldig gedane kennisgeving van vergeving van zonde, en dit vaker van dag tot dag herhaald – iemand in de dag van angst en onrust helemaal teruggebracht kan worden tot verantwoording, en dat oude rekeningen door een verontrust geweten en door de aanklager der broeders (satan) weer opgehaald kunnen worden, en dat God de zaak in orde zal maken tot de verdere verheerlijking van de rijkdommen van Zijn genade en het verdere goed van Zijn geoefend kind. Want hier voorziet de psalmist (en spreekt hij over zijn verwachting van) kwade dagen, en van de ongerechtigheden van zijn hielen die hem omringen, als iets dat hem zal of kan overkomen.
- Het geloof in de Messias, Jezus Christus, stelt een mens in staat om niet alleen uiteindelijk te triomferen over zonde en ellende, over de vloek der wet en de verdoemenis, of over moeite en vervolging, maar ook voordat moeiten komen, in ootmoedig en vast vertrouwen onbevreesd te zijn voor wat komen kan, en alle mogelijke rampen in het gezicht te zien: waarom zou ik vrezen in de dagen van het kwaad, enz.
- Al is het mogelijk, wanneer het er op aan komt en wanneer iemand gebogen gaat onder een juk van uitwendige moeiten en van inwendige aanvechtingen vanwege zijn zonden, dat de sterkste in het geloof zichzelf niet weinig bevreesd vindt, toch mag hij – wanneer hij overweegt wat de grond is die gelegd is om er zijn geloof op te doen steunen, namelijk de waarheid van het verbond, de waarde van het offer van de Middelaar, en de vrijmacht, rijkdommen en onveranderlijkheid van Gods liefde en genade – met de psalmist vol vertrouwen belijden en erkennen dat hij geen reden heeft om bevreesd te zijn voor dat waarmee satan of zijn geweten hem bedreigt. Want dit wordt bedoeld met waarom zou ik vrezen in kwade dagen, wanneer de ongerechtigheden van mijn hielen mij zullen omringen? Dit is evenveel alsof hij had gezegd: wat ook mijn zwakheid moge zijn en mijn oefening in beproeving, toch weet ik dat er geen goede reden is waarom ik verdoemenis zou vrezen of verhinderd zou zijn de volle welgelukzaligheid te bezitten, door wat mij ook maar overkomen kan.
7. Aengaende de gene die op haer goet vertrouwen, ende op de veelheyt hares rijckdoms roemen;
8. Niemant van hen sal [sijnen] broeder immermeer konnen verlossen: hy sal Gode sijn ransoen niet konnen geven:
9. (Want de verlossinge harer ziele is te kostelick, ende sal in eeuwicheyt ophouden):
10. Dat hy oock voortaen geduerichlick soude leven, [ende] de verdervinge niet sien.
In de derde plaats heeft de gelovige zijn gezegende situatie liever dan al wat rijkdommen of eerbetoon of enig aards ding aan iemand kunnen geven. Leer hieruit:
- De gelukzaligheid van de gelovige en de glorie van het geloof worden het best gezien wanneer de leegheid van alle aardse geluk en wereldse roem in iets naast God, wordt opengelegd en met de situatie van de gelovige wordt vergeleken. Daarom worden zij die op hun goederen vertrouwen, hier vergeleken met de gelovige.
- Mensen stellen hun vertrouwen op dat waarvan zij maar menen dat hun geluk daarin ligt, en zij roemen daarin, zoals hier wordt verondersteld: zij die hun rijkdommen hun geluk achten, vertrouwen op hun goederen en roemen op de veelheid van hun rijkdommen.
- De zwakheid van alle aardse dingen om iemand echt gelukkig te maken blijkt het duidelijkst wanneer de dood komt. Want wanneer die tijd komt, kan geen rijke zichzelf helpen en ook, al zou hij zijn rijkdommen voegen bij die van zijn broeder, zijn broeder niet; óf door zijn leven te verlengen en de tijdelijke dood uit te stellen, óf door hem van de dood terug te halen, wanneer hij sterft: niemand van hen kan hoe dan ook zijn broeder verlossen.
- Alle mensen zijn Gods krijgsgevangenen, Zijn gevangenen, en naar recht onderworpen aan de tijdelijke en de eeuwige dood. En er is geen verlossing van de dood, hetzij tijdelijke of eeuwige, dan door het betalen van een losprijs aan God. Voor een mens is dit onmogelijk te betalen: niemand kan aan God een losprijs geven voor zijn broeder.
- Wij worden niet losgekocht met zilver of goud of enig vergankelijk ding. Onze losprijs moet van grotere waarde zijn dan een mens kan betalen, iemand die een mens is en niet méér: de verlossing van iemands ziel is kostbaar, en houdt in eeuwigheid op.
- Zo min als dit aardse leven kan worden voortgezet, door wat voor goederen of rijkdommen of menselijke mogelijkheden ook, veel minder kan het leven van God en die welgelukzaligheid in de hemel door een mens worden verdiend: niemand kan zijn broeder verlossen, dat hij voortaan gedurig zou leven, en de verderving niet zou zien.
11. Want hy siet, dat de wijse sterven, dat t’samen een dwaes ende onvernuftige omkomen; ende haer goet anderen nalaten.
12. Hare binnenste-gedachte is, dat hare huysen sullen zijn in eeuwicheyt, hare wooningen van geslachte tot geslachte: sy noemen de landen nae hare namen.
13. De mensche nochtans, [die] in weerde is, en blijft niet: hy wort gelijck als de beesten, [die] vergaen.
14. Desen haren wech is eene dwaesheyt van hen: nochtans hebben hare nakomelingen een welbehagen in hare woorden, Sela!
15. Men setse als schapen in ’t graf, de doot salse afweyden; ende de oprechte sullen over hen heerschen in dien morgenstont: ende het graf sal hare gedaente verslijten, [elck] uyt sijne wooninge.
Hij vergelijkt de roem van de gelovige met de positie van hen die niet alleen rijk zijn, maar ook in aanzien, en die eigenaars zijn van grote inkomsten, prachtige landerijen, huizen en erfenissen. En hij heeft voorkeur voor de gelukzaligheid van de gelovige ook boven hun positie. Leer hieruit:
- Al leert de ervaring dat de dood mensen van alle rangen overkomt, zowel wijzen als dwazen, rijken als armen, toch zijn mensen zo verdwaasd dat, wanneer zij dit zien, zij niet overwegen dat zij hun geluk niet moeten plaatsen in iets waarvan zij door de dood gescheiden kunnen worden. De wereldse mens ziet dat de wijzen sterven, en ook de dwaas. Hij ziet ook dat vele rijken hun goederen nalaten; maar zij weten niet aan wie: zij laten hun goederen aan anderen na. En toch, ondanks dit alles, dat zij de sterfelijkheid en de dwaasheid zien van sterfelijke mensen die vóór hen sterven, worden zij die nog even blijven leven, niet wijs uit deze waarneming, maar dromen zij dat zij de dood zullen bedriegen en zichzelf op de een of andere manier eeuwig zullen maken. Zij denken hun naam te vereeuwigen in hun nageslacht door hun erfenissen en de vereringen aan hun grote gezinnen: hun binnenste gedachte is, dat hun huizen voor altijd zullen blijven en hun woningen voor alle generaties. Zij noemen hun landen naar hun eigen namen.
- De oorzaak van deze dwaasheid is zijn bedrogen hart en de zinloze opvattingen en inbeeldingen die door de dood worden weggeblazen: hun binnenste gedachte is zichzelf te vereeuwigen. Toch blijft de mens die in eer is, niet, of bereikt niet zijn gefantaseerde eeuwigheid.
- Het geluk van een rijk, machtig en aanzienlijk mens is niet blijvend en laat hem dus uiteindelijk in de modder, in geen betere omstandigheid (als hij geen geloof of zaligmakende kennis heeft) dan een beest! De mens nochtans, die in eer is, blijft niet; hij is als de beesten, die vergaan.
- Hoewel mensen die het meest in staat zijn om landerijen te kopen en die aan hun nakomelingen na te laten, gewoonlijk de meest wijze mensen worden geacht, toch: wanneer mensen hun inzicht en zorg vooral schenken aan dingen van deze wereld, noemt de Heere hen dwazen: hun weg is hun dwaasheid.
- Hoewel het zien van de dwaasheid van de voorgaanden de nakomenden wijs zou moeten maken, toch worden er weinigen gevonden die beter dan hun vader of wijzer dan hun vader zijn. Maar dwazen volgen dwazen in een race, en dwaasheid zal geen voorbeeld missen, zolang als dwazen voorafgegaan zijn: deze hun weg is hun dwaasheid; toch keuren hun nakomelingen hun woorden goed.
- Een aardsgezind mens, niet met God verzoend, sterft als een dwaas, onnadenkend en zorgeloos beest, zoals hij leefde: als schapen worden zij in het graf gelegd, want zij zijn een prooi voor de dood, zowel naar ziel als lichaam, de dood zal zich met hen voeden.
- De rechtvaardige, die door het geloof gerechtvaardigd is en zich inspant om rechtvaardig te leven, al ziet u hem ook in de slechtste staat waarin hij in de wereld maar kan zijn, onder armoede en vervolging, toch is hij in een betere omstandigheid dan de rijkste en aanzienlijkste goddeloze op heel de aarde. En al wordt dit in deze donkere wereld niet zichtbaar voor blinden die het licht van Gods Woord niet in zich hebben, toch zal het bij de wederopstanding gezien worden, dat de arme en onaanzienlijke rechtvaardige in een glorieuze staat zal zijn boven de wereldling: de oprechten zullen over hen heersen in die morgenstond.
- Heel de glorie van een aardsgezind mens is kort nadat hij sterft, verteerd, en dan verwisselt hij zijn woning voor de slechtste; de beste dagen die hij ooit zal zien, zijn voorbij: hun schone gedaante zal in hun graf verslijten, uit hun woning.
16. Maer Godt sal mijne ziele van ’t gewelt des grafs verlossen: want hy sal my opnemen, Sela!
In de vierde plaats vervolmaakt hij de vergelijking en geeft hij een reden voor zijn roem, waarover we hoorden in vers 6, waarvan de hoofdzaak dit is: overvloed en rijkdommen, adel, eer en bezit onder de mensen kunnen een ongelovige niet verder volgen dan het graf. Daar verlaat al zijn welvaart hem voor altijd. Maar wat mij betreft, die met God verzoend ben, gerechtvaardigd en in zekere mate geheiligd, hoewel ik sterf, toch leef ik in mijn ziel, bewaard door God tot de dag van de volkomen verlossing. En dan zal mijn ziel, nadat zij slechts voor een tijdje beroofd is van het lichaam, dit weer hersteld krijgen in de wederopstanding, en dan zullen ziel en lichaam beide volkomen verlost en bevrijd zijn van de macht van het graf. Want zoals God mij in dit leven in gunst heeft aangenomen, en Hij mijn ziel zal ontvangen bij de dood, zo zal Hij mij, wanneer mijn lichaam van het graf verlost zal zijn, zowel ziel als lichaam ontvangen in Zijn vertrouwelijke omgang. En daarom is mijn staat beter, hoeveel kwade dagen ik in dit leven ook zal zien, dan de staat van een goddeloze in de wereld, hoe rijk, hoe aanzienlijk en schijnbaar gelukkig hij ook in deze wereld zal zijn. Ja, ik kan terecht roemen boven alle goddelozen en opnieuw zeggen: waarom zou ik vrezen in kwade dagen, wanneer de ongerechtigheden van mijn hielen mij zullen omringen? Want God zal mijn ziel van het geweld van het graf verlossen. Leer hieruit:
- Al is de godvrezende onderworpen aan sterfelijkheid en de uitwendige ellende van dit sterfelijke leven, gemeenschappelijk aan hem en aan de goddeloze, toch is hier het verschil: hij is zeker van de verlossing van alle ellende: maar God zal mijn ziel verlossen zegt hij, wat God niet zal doen voor de goddeloze.
- Hoop op de wederopstanding is de belangrijkste vertroosting voor een godvrezende. En dit was de hoop van de heiligen zowel voordat Christus kwam, als daarna: God zal mijn ziel van het geweld van het graf verlossen.
- Een gelovige heeft goede reden om overtuigd te zijn, niet alleen van zijn verzoening met God in dit leven, maar ook van de ontvangst van zijn ziel na dit leven in de eenheid met de glorie van God, zowel naar ziel als lichaam, bij de wederopstanding: God zal mijn ziel van het geweld van het graf verlossen, want Hij zal mij opnemen. Sela.
17. En vreest niet wanneer een man rijck wort; wanneer de eere van sijn huys groot wort.
18. Want hy en sal in sijn sterven niet met allen mede nemen: sijne eere en sal hem niet nae dalen.
19. Hoewel hy sijne ziele in sijn leven segent; ende sy u loven, om dat ghy u selven goet doet:
20. So sal sy [doch] komen tot het geslachte harer vaderen: Tot in eeuwicheyt en sullen sy het licht niet sien.
21. De mensche, [die] in weerde is, ende geen verstant en heeft, wort gelijck als de beesten [die] vergaen.
In het laatste deel behoedt hij, door de aansporing om van deze leer gebruik te maken, elke gelovige tegen de verzoeking die kan oprijzen vanuit de voorspoed van de goddelozen en de ontbering van de godvrezenden in dit leven. Leer hieruit:
- Het is een verzoeking die het geloof van de godvrezenden soms aan het wankelen brengt, wanneer zij de bloeiende voorspoed van de goddelozen zien en hun eigen dagelijkse verdrukking. Maar dit moest de godvrezenden niet bewegen en hen niet zichzelf doen wantrouwen dat ze in een verkeerde koers zijn en de goddelozen in een betere weg: wees niet bang, wanneer iemand rijk wordt.
- De overweging van de kortheid van zowel onze tijdelijke rampen als van de voorspoed van de goddelozen, die beide bij de dood eindigen, is de manier om de voorgenoemde verzoeking te overwinnen. Want wanneer hij sterft, zal hij niets meenemen, zijn eer zal hem niet nadalen. Zo is het niet met de godvrezende, wiens eer en gelukzaligheid hem bij de dood ontmoeten.
- Iemands eigen zichzelf-bedriegende hart, dat al het geluk afmeet aan iemands tegenwoordige uitwendige omstandigheid in de wereld, en dat luistert naar het gevlei van dwazen om hem heen, die gewoonlijk de gunst van de rijken zoeken en graag zelf dezelfde omstandigheid willen bezitten, is er de oorzaak van waarom de ellendige mens in een gouden droom wordt vastgehouden, alsof hij gelukkig was: hoewel hij, zolang hij leefde, zijn ziel zegende, en de mensen u zullen loven, wanneer u uzelf goed doet. Dat is: wanneer u het leven geniet, zolang u het nog hebt. Toch zijn hij en zij allemaal bedrogen.
- De goddelozen zullen bij hun dood de weg gaan die de goddelozen vóór hen gingen, naar de plaats van duisternis en troosteloosheid, afgescheiden van God en Zijn heiligen, en van alle gelukzaligheid. En zij zullen nooit troost hebben in hun altijddurende ellendige staat: hij zal gaan tot het geslacht van zijn vaders. En wat zal er van zulke ellendelingen komen? Nooit zullen zij licht zien, dat is: zij zullen nooit enige verschijning van enige blijdschap of troost zien.
- Het is niet eer, maar gebrek aan inzicht, gebrek aan zaligmakend geloof en wijsheid om voor het eeuwige leven voorzieningen te treffen, dat een mens neerstort van zijn uitnemendheid en hem uitsluit van gelukzaligheid: de mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, is de mens die hier te kijk wordt gezet en van wie wordt verklaard dat hij ver is van ware gelukzaligheid.
- Wat er ook voor natuurlijke uitnemendheid in een mens is boven een beest, toch heeft de zonde hem zover omlaag gehaald dat hij – tenzij hij zaligmakende kennis aangaande God krijgt en met Hem verzoend wordt – in geen betere omstandigheid is, in ieder geval wanneer hij sterft, dan een beest: de mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, is als de beesten, die vergaan.
